Categorieën
Uncategorized

Tussen daad en droom: daders en slachtoffers maken samen theater

Tussen daad en droom: daders en slachtoffers maken samen theater 

-reflecties van Herlinde Swinnen- 

Dinsdag 18 oktober. Het is nog niet lang avond, maar het is al donker. De herfst is begonnen en daar moeten we allemaal aan wennen. Ik sta buiten in de regen, voor de deur van de gevangenis van Leuven. Ik ben te laat.                                           ’t Is een vreemde dag vandaag. Vanmorgen reed ik met mijn auto tegen een spelende poes. Haar hoofdje bloedde, ze stierf op de weg. Ik zag haar nog even strijden om te overleven, maar de zachte klap was veel te hard. Auto’s zijn metalen monsters en het leven is broos. 
Ik legde het warme lijfje aan de kant en voelde spijt. Mensen hechten zich soms heel erg aan dieren. Ik dacht terug aan vroeger toen mijn cavia stierf of de hond van de buren. 
“Eén keer overreden worden is genoeg. Het katje moet aan de kant, ook al wordt mijn jas dan rood.” 
Terug in mijn auto voelde ik me schuldig. Ik had voor het einde van dat geliefde huisdiertje gezorgd. Ik had het niet gewild, maar het was gebeurd. De kat leefde en nu was ze dood. Ik pakte een rondslingerend papiertje om te schrijven naar wie de kat zou vinden. Ik begon met “je suis très désolée”. Ik eindigde met “je suis vraiment très désolée”. 
Op de terugweg kreeg ik een berichtje van mijn lief: “Sorry, ik wou je niet kwetsen. Ik zeg soms stomme dingen. Kun je me vergeven?” 

Vergeven is niet gemakkelijk. Ik wil vergeven worden door de eigenaars van de kat, en door de kat zelf ook (je weet maar nooit dat ze zich anders in haar volgende leven op mij gaat wreken, ik kan maar beter voorzichtig zijn). Ik wil mijn lief vergeven, maar ik wil niet dat hij zomaar vergeet wat er is gebeurd en vrolijk een ijsje gaat eten. Nu toch nog niet. 
Vergeven, wat is dat eigenlijk? 

Het begint te regenen. De inkt van het tekstje loopt waarschijnlijk uit. 

Maar daar sta ik dus, in de Maria-Theresia-straat, mijn identiteitskaart in de hand. Vanavond ga ik naar een andere wereld. Een wereld met eigen regels en gewoontes. Een grote metalen kooi. Ik ga de gevangenis van Leuven binnen: gsm weg, deuren toe, alles in het slot, bam bam bam. 
Bart, mijn collega, Lies en ik hebben in Leuven Hulp afgesproken met een groep mensen die in het verleden slachtoffer waren van kleine en grote misdaden. We krijgen een rondleiding door de gevangenis. Het is een eerste stap in het samenbrengen van daders en slachtoffers om uiteindelijk samen op de planken te staan met een eigen toneelcreatie. Spannend. 
Ik ben te laat, maar ik mag nog binnen. De metaaldetector vindt het grappig dat ik mijn bh moet uitdoen. Als het regent, is het systeem gevoeliger, zo kom ik te weten. Elke omgeving zijn specifieke weetjes. 
Wanneer ik aansluit is de directrice aan het uitleggen welke begeleiding de gevangenen krijgen, wanneer ze kunnen sporten, naar de bibliotheek gaan, wandelen, naar de dokter, in een koor zingen, … We krijgen de bezoeklokalen te zien. Er zijn familiekamers met speelgoed voor kinderen en er is een kamer met een bed voor koppeltjes. Twee keer per maand mogen de gedetineerden die ruimte aanvragen. Ik zie een bordje met ‘gratis condooms’ en ik kijk naar de blikken van de slachtoffers. Zou het voor hen moeilijk zijn om te horen dat de gevangenen ook plezier mogen hebben? Maar er is een grote mildheid voelbaar ten aanzien van de gedetineerden. Ik vind dat straf, het getuigt van veel menselijkheid bij onze deelnemers. Sommigen onder hen maakten heel erge dingen mee, het is voor hen een hele stap om de gevangenis binnen te gaan. Er hangt een spanning in de lucht, maar ook vastberadenheid. 
De directrice praat met strakke woorden. Ze ziet er kordaat uit, zelfzeker en onfeilbaar. Een vrouw aan het hoofd van een mannengevangenis, dat is wel wat. Al die testosteron rond je. Ik zou niet graag in haar schoenen staan, ik zou waarschijnlijk binnen de kortste keren op de commissaris van Mega Mindy lijken. Zou de directrice mama zijn en thuis haar categorieke jas uitdoen? Ik denk het wel, ze heeft een zachtheid in haar ogen. 

Het gevangenisleven heeft zijn eigen vocabularium: ongestoord bezoek, glasbezoek, residentiële piste, uitgangsvergunning, tuchten oplopen, reclassering, detentie. Het is er niet gezellig. De cellen zijn heel klein, alles ziet er oud en versleten uit, er hangt een geurtje overal en de deuren zijn dik en gesloten.  

Naar het schijnt gooien de gevangenen doorzichtige plastieken zakjes naar buiten, uit hun raam. “Het is hun kleine daad van rebellie”, zegt de directrice overtuigd. In mijn verbeelding zie ik hen kijken hoe het zakje door de wind wordt opgetild, hoe het speels heen en weer beweegt, hoe het de verse lucht inademt en ver weg vliegt. Ik hoor hen denken: “Hoe is het toch zo ver kunnen komen?”. 
In de gevangenis is er overal onnatuurlijk licht en het lijkt of de luchtdruk er heel hoog is. Twee grote handen hebben mensen bijeen gegrabbeld en ze als een papierpropje in elkaar geduwd. De gevangenen mogen wel werkjes doen en toertjes wandelen, maar ik word toch een beetje moedeloos. Zoveel fysieke kracht die teniet gaat. Zoveel onvervulde verlangens. Zoveel verspild menselijk kapitaal. Is er echt geen andere manier? 
Het is confronterend, deze gedachten, terwijl de slachtoffers naast mij staan. Ik word heel kwaad als ik denk aan wat hen aangedaan is. Ze zijn onvoorstelbaar sterk, maar ik weet dat ze vaak schuifelen over een slappe koord boven een diepe afgrond. 

Ik voel een grote empathie voor beide kanten, daders en slachtoffers. Zwart-wit bestaat niet. Het één sluit het ander niet uit. 
De daders zitten opgesloten, maar de slachtoffers ook, zo blijkt uit hun getuigenissen. In hun verwerking. In de herhaling van de daden in hun hoofd. In het moeilijk vertrouwen van anderen. Ik zie de deuren en de sloten en denk aan psychiatrische instellingen. De gebouwen, de trappen, de grootkeukengeuren: er is een grote gelijkenis. Slachtoffers van misbruik komen vaak in instellingen terecht, hun leven staat on-hold. Ze hebben daar nooit om gevraagd, het is het gevolg van wat hen is aangedaan. Geweld is zo destructief. 
Uit de groep komt de vraag of bij voorlopige invrijheidsstelling de erkenning van de dader dat hij een probleem heeft, belangrijk is. “Dat is zeker zo”, antwoordt de directrice, “maar je moet beseffen dat de meeste daders zelf slachtoffer waren van gelijkaardige daden in het verleden, dat zij soms geen andere logica of geen andere manier van bestaan rond zich hebben gezien.”  
Het is een cirkel. 
Breek de cirkel. 
Na dit bezoek gaat onze groep met haar verhalen samen met enkele gedetineerden een toneel maken. Het zal een mooie, krachtige uitdaging worden voor beide partijen. Danny Timmermans begeleidt hen als regisseur. In december wordt de creatie opgevoerd in de gevangenis, voor een publiek. Ongelooflijk straf toch? Wat er ook uitkomt, ik vind het nu al enorm. De moed van de deelnemers van onze groep is bewonderenswaardig. Ze duiken in zichzelf , ze stellen zich open, ze willen begrijpen. Ze gaan met hun gekwetste hartje de drukke straat op en maken mooie dingen met hun ervaringen. Ze breken de cirkel. 

Tijdens het bezoek vroeg ik me af waarom onze deelnemers zich zo blootstellen. Wat drijft hen? Waarnaar zouden ze op zoek zijn? Het kan toch niet gemakkelijk zijn? Waarom blijven ze niet liever veilig buiten deze gevangeniswereld? 
Zouden ze misschien willen kunnen vergeven? 

Buitengekomen haal ik eens diep adem, ik bel mijn lief en zeg dat we er een gezellige avond van gaan maken. Zoiets kleins vergeven, dat is gemakkelijk. 

Herlinde Swinnen is educatief medewerker Vormingplus Oost-Brabant en werkte mee aan het project ‘Tussen daad en droom’. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *